Terug
Menu
Terug naar Geen categorie

“Mijn ex probeerde me te vermoorden”

Real Life Special: Twaalf jaar lang werd Steffie (33) door haar vriend Tim mishandeld en gekleineerd. Ze was volledig door angst verlamd, maar op een dag ging de knop om en vluchtte ze samen met hun twee dochters. Alleen was de ellende daarmee nog niet voorbij.

“Ik had net de kinderen naar school gebracht en wandelde op mijn gemak terug naar huis. Het was bijna zomer en de wereld stond in bloei. Ik draaide mijn huissleutel gelukzalig rond door mijn vingers. Mijn huissleutel! Voor het eerst in mijn leven had ik een eigen woning. De zon schitterde en heel eventjes had ik het idee dat het allemaal goed zou komen.

Natuurlijk was ik er nog niet. Gisteren nog had Tim mijn voice mail vol gescholden en 112 stond onder speed dial in mijn telefoon. Maar toch… deze sleutel, deze herwonnen vrijheid, was een nieuw begin. Ik zou zélf weer de baas zijn over mijn leven. Ik moest nog wennen aan het idee, maar het voelde goed. Ik wenste een passerende buurvrouw goedemorgen en voelde me veilig in dit rustige buurtje, met zoveel schoolpleinmoeders om me heen.

Juist op dat moment kwam er een auto aan gescheurd. Ik keek om en herkende Tims Toyota ogenblikkelijk. In één keer veranderde mijn staat van ‘vredig’ in ‘wegwezen!’. Zonder te twijfelen begon ik te rennen. Vlak achter me kwamen zijn banden piepend tot stilstand. “Bel de politie!” gilde ik naar omstanders, iedereen staarde me met open mond aan. Tijd om uitleg te geven was er niet en ik stormde weg.

“Zo makkelijk kom je heus niet van me af!” Tim was uit zijn auto uitgesprongen en begon achter me aan te rennen. Alle zinnigheid was inmiddels uit me verdwenen. Ik kon maar één ding denken: ik moet vluchten, dit wordt mijn dood.

 

Een slag, een steek

Achter me klonken zijn voetstappen, steeds sneller kwam hij dichterbij. In blinde paniek racete ik de straat over en… viel. Ik struikelde over mijn eigen benen en viel languit op de stoep. Met zes passen wat Tim bij me. Ik trok mijn knieën op, bolde mijn rug en beschermde mijn hoofd met mijn handen. Mensen gilden, Tim schreeuwde. En ik kon alleen maar hopen dat ik zou blijven leven.

Hij stak iets in mijn rug. Een voorwerp doorboorde mijn hand, ik voelde het ronddraaien in mijn vlees. Een slag, nog een steek… Het ging allemaal te snel om te registreren. De adrenaline gierde door mijn lijf en ik had geen notie van wat er echt gebeurde.

Opeens was Tim weg. In de verte klonken sirenes. Toen drong het tot me door: ik leefde nog. Voorzichtig opende ik mijn ogen. Ik knipperde tegen de zon. Vlak voor mijn gezicht lag een schroevendraaier van zo’n vijfentwintig centimeter. Ik keek naar het doorzichtige handvat met rode strepen en kon maar niet bedenken wat dat ding hier deed. Traag drupte er iets roods van het ijzer op de grond. Bloed, besefte ik. Mijn bloed. ‘Ik ga dood, dit is het einde. Anna. Simone. Hoe moet het nu met hun?’ Het geluid van de sirenes zwelde aan, een zachte hand werd op mijn schouder neergelegd. “Gaat het?” Het gezicht van een schoolpleinmoeder was opeens dichtbij.

 

Naïef en verliefd

Hoe het zo ver kwam? Op die vraag kan ik moeilijk antwoord geven. Ik was nog geen twintig toen ik Tim ontmoette. Hij was mijn eerste vriendje en – ja, het klinkt cliché – in het begin was alles rozengeur en maneschijn.

Ik was behoorlijk in de war door de zware scheiding van mijn ouders en Tim beloofde me huisje, boompje, beestje. Naïef als ik was, trok ik al na twee maanden bij hem in. De eerste keer dat Tim begon te schreeuwen, schrok ik me rot. Wat was dit? Maar het volgende moment was hij weer geweldig. Hij voelde zich super schuldig. Hij hield van me. Zoveel dat hij er letterlijk gek van werd.

Achteraf is het waanzinnig dat ik erin mee ging, maar ik was zo dankbaar dat er iemand van me hield, dat ik het pikte. En het ging zo gehaaid. Langzaam verlegde ik mijn grenzen. Steeds een beetje verder.

Dat betekent niet dat ik nooit twijfelde. Op een gegeven moment vond ik het zelfs genoeg en besloot ik weg te gaan. Na een woede-aanval zei ik dat hij het maar uitzocht, allemaal. Ik ging voor mezelf kiezen.

Wat er toen gebeurde, had ik nooit verwacht. Tim haalde een pistool tevoorschijn. “Als je weggaat, schiet ik je dood,” zei hij met een onbewogen gezicht. “En ik pak niet alleen jou, maar ook je vader. Nou, wat wordt het? Wil je nog steeds gaan?”

Die blik in zijn ogen… Hij meende het. Echt. Ik was bang. Zo godsgruwelijke bang. Dat was het kantelpunt van onze relatie. Mijn leven veranderde in een hel. Zijn moeder en zus, die om de hoek woonden, werden mijn babysitters. Zodra Tim de deur uit was, pasten zij op mij. Als ware cipiers. Ik mocht niet alleen op straat en zodra ik ook maar in de richting van een ander keek, moest ik het bezuren.

Zijn moeder en zus waren, net als ik, volledig in Tims macht. Hij bepaalde waar zij naar toe gingen, wanneer ze de beschikking hadden over een auto en met wie ze mochten omgaan.

Onder doodsbedreiging verbrak ik al snel het contact met mijn vader. Ik moest het zo draaien dat hij niets doorhad. Het verscheurde me. En mijn vader trapte er met open ogen in.

 

Periode van isolement

Ik kan de jaren die volgden zelf niet goed begrijpen. Onze relatie was verschrikkelijk, maar op één of andere rare manier hield ik ook van hem. Hij was mijn volledige wereld geworden. Ik had geen familie meer, geen vriendinnen en zelfs tv kijken was me verboden. Ik was volledig van hem afhankelijk en – ik weet het, het klinkt belachelijk – als hij lief voor me was, voelde dat als een beloning.

Ik snap dat andere mensen het niet kunnen begrijpen, maar we vreeën nog steeds. Op zulke momenten was hij ook (vaak) lief. Dan voelde ik me weer even mens.

Was de wereld maar zwart-wit. Ik ben niet dom, ik ben niet iemand die zich laat gebruiken. Maar ik leefde in een isolement, was in de war en mijn eigenwaarde was afgebrokkeld tot op het nulpunt. Tim was alles. En bepaalde alles. Zelfs wanneer ik me goed of slecht voelde.

Het gevoel er altijd was, was angst. We kregen twee dochters, Anna en Simone, en als er eens iets was, dan dreigde hij een gezinsdrama te veroorzaken – gewoon waar de meisjes bij zaten.

Toen Anna zes was, belde mijn vader totaal onverwacht op. Hij miste me en wilde ons contact herstellen. Tim stemde er tot mijn grote vreugde in toe. Ik was zo blij dat ik mijn vader terug had!

Papa zag meteen dat het foute boel was. “Ik haal je bij hem weg,” zei hij in één van onze spaarzame momenten samen. Maar ik weigerde. Ik was bang voor Tim en volledig in zijn greep. Hij was al twaalf jaar mijn vertrouwde omgeving. Ik hield van hem en was bang voor wat zich buiten afspeelde.

Maar tijdens een bezoek aan de Efteling brak ik. Ik was met de kinderen naar de wc geweest en Tim was ervan overtuigd dat ik met een man had afgesproken. Hij kon niet geloven dat we in de rij hadden gestaan.

Toen niemand het zag, trapte hij zo hard op mijn achillespezen dat de tranen in mijn ogen schoten. Omringd door al die gelukkige gezinnen en met mijn vader en stiefmoeder vlak bij, ging de knop om. De eerste de beste kans die ik zou krijgen, zou ik vluchten. Ik zou mijn vader om hulp gaan vragen.

Een maand later was het zo ver. Tim was een dag naar België en zijn moeder was voor een boodschap weg. Ik gooide snel wat spullen in een vuilniszak en belde mijn familie. Met kloppend hart en de kinderen op de achterbank reden we de straat uit, de stad uit, de snelweg op. Ik had het gedaan! Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik was weg bij Tim. Maar nog lang niet vrij.

 

Einde van de hel

Dat Tim me achtentwintig keer met een schroevendraaier stak, was de climax van maandenlang stalken. Waar ik ook naartoe vluchtte – de crisisopvang, een blijf van mijn lijf-huis, familie – overal wist hij me te vinden. Ik werd er paranoïde van en eerlijk gezegd heb ik daar nu, twee jaar na dato, nog steeds last van. Tim zit inmiddels vast voor poging tot moord. Maar de angst dat hij opeens achter me staat, zit diep in mij.

Toch ben ik vastbesloten om hier bovenop te komen. Ik vergelijk het weleens met een gebroken been. Na een breuk moet je revalideren. Dat is een langdurig en traag proces, maar op een dag kun je weer lopen. Tim brak mijn geest en de revalidatie neemt tijd in beslag.

Het liefst zou ik zorgeloos door het leven gaan en alles vergeten. Maar dat gaat helaas niet. Vooral vanwege Anna en Simone. Zij hebben een trauma opgelopen en lopen bij een psychiater. Ik moet er voor hen zijn, goedmaken wat Tim heeft stukgemaakt.

Zelf leer ik stukje bij beetje de ‘normale’ wereld weer kennen. Af en toe schrik ik ervan hoe aardig sommige mensen zijn. Zomaar. Om niets. Dat zijn fijne momenten. Kleine steentjes die mijn vertrouwen in de wereld weer helpen opbouwen.

Op een dag komt Tim natuurlijk vrij. Ik wil daar op dit moment nog niet aan denken, maar ik weet wel dat als het zo ver is, ik er klaar voor zal zijn. Ik heb een eigen huis, zie mijn familie weer, knoop vriendschappen aan en denk er zelfs over om te gaan studeren. Elke dag word ik weer meer mezelf.

Tim probeerde me letterlijk en figuurlijk kapot te maken, maar zijn pogingen zijn mislukt. Dat besef maakt me sterk. Ik ben een survivor, anders had ik dit niet overleefd. Als zijn tijd er straks op zit, dan kan ik hem aan, dat weet ik zeker. In mij zit een diepe kracht. En ook al kost het moeite die elke dag te vinden: ik ga er komen. Deze hel heeft lang genoeg geduurd.”