Terug
Menu
Terug naar Geen categorie

“Ik deed het voor ons”

Real Life Special: Fleur (27) deed alles om haar vriend Peter blij te houden. Ze ging zelfs zo ver dat ze door de politie werd opgepakt.

“Toen ik Peter leerde kennen was er meteen die spark. Alles aan hem was mannelijk, van zijn gespierde armen tot zijn stoere gedrag. Ik kon iemand die stevig op zijn benen stond wel gebruiken in mijn leven, want dat was op dat moment en puinhoop. Ik had mentaal een aardige knauw gehad van mijn ex die me stelselmatig had bedrogen en ook financieel had ik het met mijn kassière-loontje niet ruim. Ik woonde tijdelijk bij een vriendin waar ik me eigenlijk te veel voelde en kon niet terugvallen op mijn ouders ik heb niet bepaald een gelukkig jeugd gehad, vandaar. Peter was mijn reddende engel. Hij was de uitweg naar een beter leven en na drie weken trok ik al bij hem in.

Met Peter kon ik nachtenlang kletsen. Hij had net als ik een moeilijke jeugd achter de rug en nam me daarover in vertrouwen. Het streelde mijn ego dat hij aan mij zijn zachte kant durfde te laten zien, want voor de buitenwereld was hij alleen die ruwe bolster. Bij mij kon hij huilen en we beloofden elkaar dat wij het samen anders zouden doen als onze ouders. Ik zou Peter bewijzen dat er wèl liefdevolle relaties konden bestaan. Alles wat hij gemist had in het leven, zou ik hem geven. En dus was ik vol begrip wanneer hij een keer chagrijnig thuis kwam van het werk. Ik overlaadde hem met liefde en verhief nooit mijn stem. Peter had behoorlijk wat stress van zijn eigen stucadoorsbedrijf en vond het heerlijk om bij zo’n lieve, zachte vrouw als ik thuis te komen.”

 

Doodongerust in bed

“Na de eerste verliefdheid kreeg Peter steeds vaker last van buien en hij werd steeds geslotener. Ik kon er niet tegen hem ongelukkig te zien en was bang dat zijn liefde voor mij zou verdwijnen. Dus hoe chagrijniger hij was, hoe liever ik tegen hem deed. Op een nacht kwam hij niet thuis. Ik was doodongerust en deed de hele nacht geen oog dicht. Waar was hij? Lag hij soms met een ander in bed? Toen hij de volgende ochtend thuis kwam, was ik in alle staten. Het was de eerste keer in negen maanden dat ik tegen hem schreeuwde. Ik riep dat ik me enorm veel zorgen had gemaakt en dat ik me niet zo maar aan de kant liet zetten. Hij bulderde terug; dat ik niet tegen hem moest schreeuwen, omdat zijn moeder dat al genoeg gedaan. Er stonden tranen in zijn ogen en ik had meteen spijt. Dat hij door mij zijn jeugdtrauma moest herbeleven vond ik verschrikkelijk.

Hij plofte neer op de bank en drukte zijn duim en wijsvinger tegen zijn ogen om de tranen binnen te houden. “Waar was je dan?” vroeg ik zacht. Pas toen kreeg ik het verhaal te horen dat schijnbaar al een tijd speelde; het ging slecht met de zaak. Opdrachtgevers betaalden niet en de rekeningen stapelden zich op. Het ging zo slecht dat als er niets veranderde we binnenkort uit huis gezet zouden worden. Hij had niets tegen mij gezegd, omdat hij niet wilde dat ik me zorgen zou maken. Vannacht was hij op een pokertoernooi geweest. Een vriend van hem had gezegd dat je op die manier snel veel geld kon verdienen, maar hij had natuurlijk alles verloren. Ik schrok uiteraard, maar ik was allang blij dat hij er geen ander op nahield. Het was misschien niet zo handig wat hij had gedaan, maar hij had de beste bedoelingen gehad. En het was voor het eerst in tijden dat hij zich zvoor me open stelde. Ik moest er voor hem zijn nu. Ik mocht hem niet laten vallen.

 

Handtassen van collega’s

De dagen daarop praktiseerde ik me rot hoe we snel aan geld konden komen. We ‘bespaarden’ al op de boodschappen. Elke keer dat Peter boodschappen bij mij deed haalde ik twee producten tegelijkertijd langs de scanner zodat hij altijd maar de helft af hoefde te rekenen. Een systeem dat tot nu toe altijd goed had gewerkt. Maar er moest duidelijk meer gebeuren.

De financile problemen knaagden aan Peter. Hij bleef steeds vaker nachten weg en kreeg steeds vaker behoefte om met vrienden stoom af te blazen. Ik had medelijden met hem en vergaf hem zijn buien en zijn dronkenschap. Dit was hem allemaal door anderen aangedaan en ik probeerde maar lief te zijn.

Op een dag stond ik alleen in de kleedkamer van mijn werk. Aan de haakjes aan de muur bungelden de handtassen van mijn collega’s. Ik dacht aan Peter, ik was hem aan het verliezen door zoiets banaals als geld. Ik staarde weer naar de tassen. Mijn collega’s kenden geen geldzorgen. Het was eigenlijk niet meer dan eerlijk dat ik… Ik keek om me heen, er was echt niemand. Ik zou het meteen horen als iemand de gang op kwam. Mijn mond werd droog, mijn hart klopte in mijn keel. Het was zo makkelijk, zo risicoloos. Snel pakte ik een tas en griste de portemonnee tevoorschijn. Vijfenvijftig euro. Ik pakte tas twee en drie en vier.

Met driehonderd euro kwam ik thuis. Peter was dolblij en we vreeën weer als vanouds die nacht. Hij vroeg niet waar het geld vandaan kwam. Hij vertelde me alleen dat hij van me hield en dat hij zonder mij niet meer zou kunnen leven.

 

Op heterdaad betrapt

Dat er was gestolen ging als een lopend vuurtje door de supermarkt. Iedereen ging ervan uit dat een buitenstaander het had gedaan en om mezelf niet te verraden deed ik net zo beledigd als de rest. Er werd besloten dat de waardevolle spullen voortaan op het kantoor van de manager bewaard zouden worden.

Het was twee weken na het voorval toen de kassarollen op waren en ik mijn kans greep. Peter had me die week nog gevraagd wanneer ik weer met zo’n klapper thuis zou komen. We hadden dat geld echt nodig, want hij stond op het punt failliet te gaan. De kassarollen lagen in het verlaten kantoortje waar de portemonnees uitdagend voor mijn neus lagen. Met kloppend hart begon ik het geld eruit te halen. Waar was ik in vredesnaam mee bezig? Waarom deed ik dit? Maar ik wist het antwoord wel. Ik deed het voor Peter. Ik deed het voor ons. Ik had nog maar twee portemonnees te gaan toen er achter mij werd gekucht. Mijn manager stond achter me. Ik was op heterdaad betrapt.

“Wat ben jij nou aan het doen?” vroeg hij. Ik stamelde iets over kassarollen, maar het was natuurlijk wel duidelijk dat ik daar niet naar zocht. Mijn manager schudde zijn hoofd. “Dat jij van alle mensen dit doet,zei hij. Goh, wat heb ik me in jou vergist. Dat jij je collega’s zó belazert, zó tegen ze liegt. Ongelofelijk.” Toen pas drong de ernst van de situatie tot me door. Wat had ik gedaan? Onder politiebegeleiding liep ik even later langs de kassa’s. Mijn collega’s keken me vol minachting aan. Ik had hun bestolen, ik had tegen ze gelogen. Ik voelde me zo slecht.

 

Steeds gelukkiger

Op het bureau belde ik Peter. “Ik kan je niet halen,” zei hij. “Ga maar met de bus.” De hele busreis heb ik zitten huilen. Peter trof ik thuis op de bank. Chagrijnig. Want hij was immers degene die een rotdag had gehad, niet ik. Zijn enige commentaar op het voorval was dat het kut was dat ik was betrapt. Opeens viel het kwartje. Ik moest weg bij deze man. Maar wederom zat ik vast. Ik had geen uitzicht op een huis, geen werk meer, geen vriendin meer over en een strafblad. Maar ik kon het gewoon niet meer. Ik kon niet langer voor hem zorgen en lief zijn.

Uiteindelijk heb ik onderdak kunnen vinden bij een opvanghuis. Ik heb moeten knokken voor een nieuw leven, maar het is gelukt. Met hulp van een maatschappelijk werker heb ik een baan kunnen vinden in een nieuwe stad, want ik wens ooit meer iemand van vroeger onder ogen te komen. Of ik gelukkig ben? Laten we zeggen dat ik steeds gelukkiger word.”